01-07-2108 – Ds. Kees Bregman – Over Job

Terug naar activiteiten

Protestantse Gemeente Soest De Oude Kerk – 1 juli 2018

Vierde preek in een serie van vier over Job –De terugkeer van het gewone leven

Lezing O.T. – Job 42:7-17 (NBV)
Lied: LB 611 – een Paaslied bij Romeinen 6 en 8
Evangelielezing: Marcus 5:35-43 De opwekking van het dochtertje van JaïrusPreek
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Ik weet niet in hoe verre u het verhaal van Job hebt kunnen volgen, ik kan u wel zeggen: het was een drama. Bijna niet te doen om het achter elkaar door te lezen, we hadden er drie bedrijven voor nodig. Eerst hoe die mooie integere man Job het onge-looflijk voor z’n kiezen krijgt, ademloos verlies, en dat hij dat allemaal geduldig ver-draagt; dán die eindeloze discussies met z’n vrienden die hem proberen uit te leggendat hij zijn ellende vast wel aan zichzelf te wijten heeft, maar als Job blijft ontkennen, worden ze steeds venijniger; en intussen Job steeds wanhopiger en doodalleen maar volhouden dat hij onschuldig is en dat God dat toch weet, maar waarom staat de EEUWIGE toe dat zoveel onrechtvaardig leed zijn mensenkind treft? Job dient een aanklacht in. Hij spant een rechtszaak aan tegen de ENE. Nou ja, eindelijk zijn de vrienden uitgepraat en Job ook en dan mag God ook iets zeggen.

Er komt geen antwoord, geen uitleg, geen oordeel, maar een orkaan van vragen:

Waar was jij toen Ik de aarde schiep? Bestuur jij regen en sneeuw? En de wilde dieren, die jongen werpen en hun prooi vinden, die sierlijk zijn en verslindend, heb jij die in de hand? En de mythische monsters van de chaos, het Beest en de Draak, kun jij die temmen? Vertel Mij, waar meet jij integriteit aan af?

En dan is het klaar. Job legt zijn hand op zijn mond (40:4). Niet omdat hij gesmoord is, maar omdat hem iets totaal nieuws is overkomen. Hij heeft God echt leren kennen– niet meer ‘van horen zeggen’, maar van ‘met eigen ogen zien’ (42:5). Dat is een enorme verandering. Ik kan het uitleggen met één letter verschil. En je moet heel goed kijken om dat kleine verschil te zien.

Job is een oud-oosterse herenboer, een patriarch. Hij is het middelpunt van zijn mannelijk heelal. Vrouw en kinderen en personeel zijn net als vee en huis: zijn bezit. Zijn woord is wet. Andere mensen die het minder getroffen hebben dan hij, kan hijgoed doen. En dat doet hij ook, ‘onberispelijk’. Job weet van zichzelf dat hij een goedmens is. In zijn wereld heerst een bepaald idee van rechtvaardigheid: dat je rijk bent omdat God je zegent, en God zegent je omdat je een goed mens bent. Dat je als goed mens recht hebt op geluk, voor Job was dat vanzelfsprekend. En hij dacht dat God ook zo in elkaar steekt: een albesturend Opperwezen die mensen straft en be- loont naar hun gedrag. Job had zich God voorgesteld naar zijn eigen beeld en gelij- kenis: een handhaver van normen en waarden (net als zijn vrienden). Je zou het ge- loof van Job kunnen typeren met het woord: contract. Zo werkt dat in zijn wereld: jehebt een contract, een bindende afspraak, stilzwijgend, ‘gentlemen’s agreement’:

U doet uw deel, God, U zegent mij; en ik doe mijn deel, ik leef oprecht, en voor on- verhoopte fouten hebben we altijd nog wel een offerritueel.

En dan overkomt Job onnoemelijk en onrechtvaardig leed. In zijn voorstelling van zaken kán dat helemaal niet. Dit is niet minder dan contractbreuk. Vandaar: een rechtszaak! Maar dat proces wordt stopgezet. In de storm van vragen stort dít beeld van God voor Job volledig in. Hij leert God anders kennen: als de Schepper, de bron van leven in en achter alles wat ademt en beweegt, mens en dier; die speelt met machten van de chaos, die het licht roept in de nacht en die zijn zon doet opgaan over mensen of ze nu goed doen of niet-goed doen, zonder onderscheid. En datheeft Job dan niet ‘van horen zeggen’, maar van ‘zien met eigen ogen’: ik heb U ge- zien. Dit is geen contract meer, dit is, in één woord: contact! Het scheelt één letter …van cont-R-act naar contact.

Kijk, dat heeft zijn vrouw in gang gezet, juist degene onder de mensen die van hem houdt, met haar vraag: wat is er integer tussen God en jou als jij (en ik) zo getroffen worden door het kwaad?

Nu heeft het verhaal alleen nog een finale nodig. En dat is ook een forse wending. Hebben we ons net drie diensten lang met kloppend hart bezig gehouden met het drama van God en Job en het kwaad, en dan eindigt het zowaar nog gezellig!
Luister maar –

De familie zit weer om de tafel, te gast in het huis van Job. Al zijn broers en zusters zijn gekomen. De maaltijd is als vanouds vorstelijk. Ook alle oude vrienden en be- kenden zijn er weer. Geen van hen had gedacht dat ze ooit nog zo bij elkaar zouden zitten. Ze staren Job aan. Daar zit hij weer. Alsof hij uit de dood is opgestaan. Ver- magerd, maar genezen. Ze hebben elk een geldstuk en een ring meegebracht – oos- terse gewoonte: hier, koop wat lekkers voor je zelf, je moet nog aansterken; en hier een neusring voor je vrouw: we horen toch bij elkaar. Ongelooflijk wat jullie is over- komen – ’t is godgeklaagd – maar je bent zeker wel blij dat je er weer bovenop bent?! Met zweet in hun handen zitten ze erbij. Het is ook zó lastig, je weet echt niet wat je zeggen moet tegen een mens die zo geleden heeft.

‘De Heer bracht een keer in het lot van Job en hij gaf hem het dubbele van wat hij eerder bezat.’

Waarom het dubbele? Je zou zeggen: omdat echt duidelijk moet zijn dat Job terug- gekeerd is in het gewone leven. Het goede leven dat God zijn mensen gunt is geen ideeënwereld, dat leven is echt, dat moet je ergens aan kunnen zien (zoals Job Godheeft gezien ‘met eigen ogen’) – en wat zie je dan? Mensen rond een tafel en niemand komt tekort. Familie die lief en leed met elkaar deelt. Vrienden die voor el- kaar bidden. Zo wordt de naam van de EEUWIGE van kracht: IK ZAL ER ZIJN VOOR JOU! De kracht van die naam, dat is zegen: niet door contract, maar puur in contact!

Tegelijk zit er nog een dubbele bodem in die verdubbeling. De Thora zegt duidelijk (Ex. 22:4): wie het vee van een ander steelt, moet het dubbel vergoeden. Doet de EEUWIGE nu alsof hij de dief is? Zegt hij eigenlijk: ‘Job, ik heb je bestolen …?’ Was erdan toch een contract? Toch niet, vermoed ik. Maar ik zie dat God de HEER zichzelf aansprakelijk stelt. Dat is zijn trouw aan mensen. Hij trekt zich ons leed aan; hij kan niet hebben dat het kwaad nu eenmaal gebeurt. Alles wat de liefde tussen Hem en zijn mensen belemmert, dat is in zijn ogen onrecht. Het hoort er niet te zijn. Hij laat ons niet aan ons lot over, Hij wil dat wij léven. In die Geest gaat Jezus rond.

De trouw van de ENE ziet Job in het bijzonder aan zijn kinderen. Vraag me niet hoe het kan – de joodse verteller van 2500 jaar geleden heeft ook een hardnekkig man- nenperspectief, maar we verstaan dat deze tien, zeven zonen en drie dochters (geen verdubbeling nu, want mensen zijn niet inwisselbaar!), teken zijn van léven. Dat God onze toekomst wil zie je als je naar kinderen kijkt. Dat er jonge mensen groeien enbloeien, is een teken van de Schepper, van zijn genegenheid. Job heeft ‘t begrepenen hij heeft dat besef uitgedrukt in de namen van de drie dochters.

De oudste heet Jemima, d.i. Tortelduifje – het liefdesvogeltje van het Hooglied. De middelste heet Keetzia, d.i. Cassia, Kaneelbloesem – de zoete geur in parfum en wierook. De jongste heet Kerèn Happuch, d.i. hoorntje met zwartsel, waarmee oos- terse vrouwen hun ogen opmaken: zij heet dus eigenlijk Oogschaduw. (Als ze een jongen was geweest en ze had Kees geheten, dan was het: Beauty-Case.) In ieder geval: ‘In het hele land waren geen mooiere vrouwen dan de dochters van Job.’

In hun namen horen we hoe Job naar het goede leven terugkeert, je leest het tussen de regels: hij is nu werkelijk ‘in contact’. Hij heeft zijn liefste teruggevonden, de vrouwaan zijn zijde, zij heeft hem nooit verlaten. Hij eert háár liefde in de naam van de eer- ste dochter, Tortelduifje. Job, die stonk uit zijn mond, zo ziek was hij(19:17), ruikt in het voorbijgaan de zoete geur van kaneel in het haar van hun tweede dochter, Ka- neelbloesem. Job met zijn geteisterde lichaam en geschonden huid (19:26), hij kijktz’n ogen uit naar de gave oogopslag van hun derde meisje, Oogschaduw. Het lijkt wel een sprookje. Geen wonder dat Job nog lang en gelukkig leeft – 140 jaar – dat is een dubbele levenstijd. En hij ziet zijn kindskinderen tot in het vierde geslacht, hij wordt overgrootvader.

Merkwaardige finale. Wat als een drama is begonnen, eindigt als een streekroman. En dat is niet toevallig. Er wil mee gezegd zijn: de inzet van de EEUWIGE, dat zijn naam van kracht wordt ‘IK ZAL ER ZIJN VOOR JOU’, bestaat in de terugkeer van het ge-wone leven. We worden getroost ‘in contact’. Familie en vriendschap, mensen die er voor elkaar zijn, jonge mensen die je met plezier ziet opgroeien, het leven versierd met liefde en geur en kleur – zo alledaags, zo aards – daar is God. Wie gelooft, kan genieten!

Van contract naar contact – Job dacht zichzelf en zijn maatstaf als het middelpunt van zijn mannelijk heelal – nu weet hij dat het anders is. Het middelpunt van het heelal is een scheppende liefde. Dat voelt hij als hij vol bewondering naar zijn doch- ters kijkt. Hij láát zich troosten door hun aanwezigheid, hun geur en oogstrelende verschijning. Hij kan hen nu echt zien! – dat blijkt hieruit dat hij hen toekomst geeft, een erfdeel, net als hun broers. Zij zijn getuigen van opstanding, Paasmeisjes. Net als die andere dochter, in het evangelie, over wie Jezus zegt dat ze haar te eten moeten geven: zo simpel is het uiteindelijk, je moet goed eten. Er is geen beter leven dan het gewone leven. Daar zegent ons de ENE. Daar zien wij – God. Amen.

Aansluitend lied: LB 858

Vernieuw in ons, o God,
uw liefde, lente-licht.
Herstel ons naar uw beeld en strijk het kwaad uit ons gezicht.

Reageren niet mogelijk.